“Wacht, daar is de dokter! Ik zal zien, of ik hem de zorg van mijn zieke kan
overdragen … Ga maar vooruit; ik kom dadelijk. Ik heb zoo’n vreeselijken
trek.”
Raymonde ging vlug naar het buffet terug, terwijl madame de Jonquière aan
Ferrand vroeg bij haar te komen, om te zien of hij la Grivotte misschien wat
verlichting geven kon. Reeds had hij op verzoek van Marthe broeder
Isidore, wiens steunen en kreunen maar niet ophield, onderzocht; en weer
had hij met een gebaar van wanhoop zijn onmacht te kennen moeten geven.
Hij richtte de teringlijdster wat op in de hoop daardoor de hoest wat tot
bedaren te brengen, wat inderdaad eenigszins hielp. Vervolgens hielp hij
madame de Jonquière de zieke een kalmeerend drankje in te gieten.
Mijnheer Sabathier, die langzaam de druiven, welke zijn vrouw voor hem
was gaan halen, op zat te eten, vroeg hem zelfs niets, daar hij het antwoord
toch vooruit wist en de zaak moe was, nadat hij reeds, zooals hij zich
uitdrukte, alle vorsten der wetenschap geraadpleegd had. Maar toch deed
het hem goed, toen hij zag, hoe de dokter het arme meisje, wier nabijheid
hem hinderde, oprichtte. Ook Marie keek met toenemende belangstelling
naar hem, hoewel zij het niet durfde wagen hem voor zich zelf te roepen,
zeker als zij was, dat hij haar toch niet helpen kon.
Op het perron werd het gedrang steeds grooter. Men had nog slechts een
kwartier. Als ongevoelig, met wijdgeopende oogen, zonder nochtans iets te
zien, verdoofde madame Vêtu haar pijnen in de gloeiende hitte der volle
zon, terwijl madame Vincent nog steeds met denzelfden sussenden stap met
de kleine Rose, licht als een ziek vogeltje, zoodat zij het gewicht niet eens
op haar armen voelde, op en neer liep. Vele pelgrims haastten zich naar de
fontein, om kannen, kruiken en flesschen te vullen. Madame Maze, die zeer
op reinheid en zindelijkheid gesteld was, wilde er haar handen gaan
wasschen; toen zij er echter bijkwam, vond zij er Elise Rouquet, die juist
bezig was te drinken; verschrikt deinsde zij terug voor dit afschuwlijk
wezen, die hondenkop met den uitgevreten bek, die de schuine spleet van
haar mond uitstak, waaruit de tong slorpend neerhing; en allen beving met
dezelfde huivering, dezelfde aarzeling om hun flesschen, kannen en kruiken
te vullen uit dezelfde fontein, waaruit zij gedronken had. Een groot aantal
pelgrims liep op het perron te eten. Men hoorde het rhythmische klepperen