Job. 36 : 17, 18.
Ps. 9 : 8.
Jes. 66 : 15.
of om onszelven op u te wreeken; het is de koning, mijn
Meester, die ons gezonden heeft om u tot zijne
gehoorzaamheid weder te brengen. Weigert gij langs een
vreedzamen weg, dan zijn wij verplicht u daartoe te
dwingen. Denkt nooit bij uzelven, noch duldt dat de tiran
Diábolus u overhale om te denken, dat onze koning niet in
staat is u neder te werpen en u onder zijne voeten te
leggen; want Hij is de formeerder van alle dingen en als Hij
de bergen aanraakt rooken zij. Ook zal de poort van ’s
konings barmhartigheid niet altijd open staan, want de dag,
die branden zal als een oven, staat voor de deur, ja, hij
haast om te komen en sluimert niet.
„O, Menschziel, is het gering in uwe oogen, dat onze
koning u genade laat aanbieden en dat na zoo vele
waarschuwingen? Ja, hij steekt nog zijn gouden schepter u
toe, en wil nog zijn toorn niet tegen u loslaten; zult gij hem
tergen tot hij dat doet? Zoo ja, let dan op
hetgeen ik zeg: voor u is die poort niet eeuwig
open. Als gij zegt: „Gij zult Hem niet aanschouwen, daar is
nochtans gerichte voor zijn aangezicht, wacht gij dan op
Hem; ja omdat er grimmigheid bij Hem is, wacht u, dat Hij u
misschien niet als met éen klop wegstoote, zoodat u een
groot rantsoen daar niet van af zou kunnen brengen.” Zou
Hij uwen rijkdom achten, dat gij niet in benauwheid zoudt
zijn, of eenige versterking van kracht? Neen, neen, geen
goud of rijkdom of geweld. Hij heeft zijn troon
bereid ten gerichte, want ziet de Heere zal met vuur komen,
en zijne wagenen zijn als een wervelwind, om met
grimmigheid zijnen toorn hiertoe te wenden, en zijne
scheldingen met vuurvlammen. Zie derhalve toe, o
Menschziel, opdat niet, nadat gij het oordeel de goddeloozen
vervuld hebt, hij kome en u aangrijpe met oordeel en
gerichten.”
Terwijl kapitein Oordeel zijne toespraak tot Menschziel
hield werd door sommigen opgemerkt, dat Diábolus
sidderde, maar hij ging met zijne aanspraak voort en sprak: